Small Dark Yellow Underwing
‘Hier in Holland sterft de laatste vlinder op de allerlaatste bloem’ – Annie M.G. Schmidt, ‘Vluchten kan niet meer’
Dat Rory in Edinburg als vanzelfsprekend achter het stuur van de huurauto is gekropen, bevalt haar wel en niet. Het is makkelijk, want er wordt in Schotland inderdaad links gereden en thuis doet ze alles met de fiets. Het punt is dat hij niet overlegd heeft. Haar veertigste verjaardag komt in zicht - nou ja, in zicht… die datum verheft zich als een niet te missen, dreigend gebergte aan de horizon. Bovendien is ze al een tijdje universitair hoofddocent; ze wil nu eindelijk wel eens wat serieuzer worden genomen.
Ze kijkt naar Rory die zich natuurlijk nergens van bewust is en al sturend en schakelend vertelt over zijn vroegere avonturen in deze streek.
‘Lisa, zie je die heuvel daar, die platte?’ vraagt hij.
Ze zou liever hebben dat hij niet zou wijzen en twee handen aan het stuur zou houden in de bocht, maar misschien is ze overdreven voorzichtig. Ze zegt dus dat ze de heuvel ziet, hij bedoelt toch die achter die andere, waar drie bomen op de top staan?
‘Ja, die,’ antwoordt hij. ‘Daar heb ik gekampeerd. Het was officieel een studiereis; we moesten de verspreiding van de een of andere kever in kaart brengen, maar daar is het niet echt van gekomen. Nou ja, we waren nog geen twintig.’
Er volgt een enthousiast verslag waarin veel mates en beer voorkomen. Echt grappig vindt ze de verhalen niet, maar hij moet er, meer dan vijftien jaar later, nog steeds erg om lachen en ze doet dus maar een beetje mee.

Ze heeft hem in Oxford ontmoet, op een wetenschappelijk congres over de achteruitgang van de aantallen insecten - een internationaal probleem. Haar bijdrage was niet onbelangrijk: een lezing, een workshop, aanbevelingen. Rory had in Schotland gestudeerd en was met veel moeite in Oxford als onderzoeker aan de slag kunnen komen. Hij deed mee aan haar workshop en ze waren blijven mailen, onder andere over de resultaten van later of helemaal niet maaien in gebieden waar veel vlinders zouden moeten voorkomen maar waar deze toch langzamerhand verdwijnen. Een jaar later was hij op zijn beurt in Leiden. Sindsdien hebben ze het samen heel gezellig, zoals haar studenten dat noemen en zijzelf ook. Moet ze erop letten dat ze niet al te jeugdig praat en op die manier de plank net misslaat?
Nu zijn ze op weg naar de Schotse Hooglanden. Het is gelukt om geld los te peuteren voor onderzoek naar de Small Dark Yellow Underwing-mot. Het gevleugelde beestje heeft geen Nederlandse naam, wel een Latijnse: Coranarta cordigera. Al jaren is ze gefascineerd door het insect dat ze nog nooit levend heeft gezien, hoewel ze ernaar heeft gezocht in Scandinavië en de Alpen. Nu ze een Britse connectie heeft en er toch al in de Hooglanden gezocht moet worden - deskundigen vrezen dat de mot is uitgestorven - valt alles samen.
Ze hebben de hele ochtend gereden en ze had wel koffie willen drinken in een van de knusse dorpjes waar ze langs zijn gekomen.
‘Moeten we langzamerhand niet eens gaan kijken naar een tentje om te lunchen?’ oppert ze.
‘Ik heb gisteren met een vriend gebeld,’ antwoordt Rory. ‘We kunnen bij hem terecht. Zo leer je echt het land kennen.’
‘Leuk,’ mompelt ze. Als ze zegt dat hij weer een beslissing neemt zonder overleg verpest ze de sfeer. Als ze niets zegt, gaat dit zo door.
Ze haalt dus diep adem en zegt: ‘Prima, maar ik had het wel even van te voren willen weten.’
Haar stem piept, merkt ze, en ze had beter geen hap lucht kunnen nemen, maar juist in haar buikademhaling moeten gaan zitten.
‘Je vindt het leuk daar, dat weet ik zeker,’ wuift hij haar bezwaren weg.
‘Vast wel, maar toch.’
‘Ik ben hier in geen jaren geweest, dan is het toch normaal dat ik mijn oude vrienden weer wil zien?’
‘Natuurlijk, maar het is toch ook normaal om het even te zeggen?’
‘Laat je een beetje verrassen, Lisa. Moet elke minuut van de dag gepland zijn?’
Ze had een verrassing in de trant van een picknick in de groene heuvels leuker gevonden. Of een simpel broodje op een bank in de lentezon. Zonder anderen. Als ze dat zegt, komt het over als claimen; ze laat het maar.
Ze moet toegeven: ze vindt het leuk daar. Sean en Isla wonen even buiten het nogal grauwe plaatsje Bankfoot. Ze hebben een landelijke idylle gecreëerd die zo in een woontijdschrift kan staan. Balken, plavuizen, brede planken, verfijnde kleuren; het is er allemaal. De tuin is een sprookje waar wilde bloemen volop de ruimte krijgen. Een hommel gonst tussen de bloeiende paarse dovenetel. Ze denkt eerst dat het de gewone Bombus hortorum is, maar als ze beter kijkt, verrast de stand van de voelsprieten haar.
‘Bombus jonellus!’ roept ze uit.
Isla kijkt haar wat vreemd aan.
Vanuit het huis klinkt het bulderend gelach van Rory en Sean.
Na de lunch gaan ze meteen weer verder; ze moeten nog een heel eind. Rory vertelt enthousiast over Seans activiteiten: hij traint een rugbyteam, heeft een bedrijf opgezet en gaat elke maand met mates kamperen, weer of geen weer, wel of geen vrouwen die thuis zitten te wachten.
‘Dat is wel een heel ander leven dan in een suffe universiteit achter je laptop zitten,’ zucht hij.
‘Wij gaan er nu toch ook op uit?’
‘Dat is de uitzondering op de regel.’
‘Laten we er dan maar van genieten.’
Hij geeft geen antwoord. Van de delicate academicus op wie ze zo gek is, ziet ze nu weinig terug. Zijn dunne lippen zijn in een ontevreden trek op elkaar geklemd. Hij heeft duidelijk meer zin in rugby dan in wetenschappelijk onderzoek. En waarschijnlijk meer in met zijn mates rondom een kampvuur zitten dan met haar op mottenjacht gaan.
Lange tijd kijkt ze zwijgend naar buiten. Het landschap wordt woester. De heuvels maken plaats voor bergen en op steeds meer plekken verschijnt naakte rots. Het weer zit mee; het is niet alleen droog maar de zon schijnt zelfs. Het is een graad of veertien, meer zit er niet in, zo noordelijk.
Het begint al te schemeren als een kreet van Rory haar uit haar gedachten opschrikt.
‘Jou heb ik!’ roept hij.
Een meter of twintig voor de auto steekt een klein dier de weg over. Ze ziet zo snel niet wat het is. Een haas? Een konijn of een marter? Rory geeft vol gas en stuurt op het beest af.
‘Nee!’ gilt ze. ‘Niet doen!’
Op het laatste moment bereikt het dier het hoge gras in de berm van de weg.
‘Mis!’ gromt Rory geërgerd.
‘Waar was dát goed voor?’ vraagt ze verbijsterd.
‘Stel je niet aan, Lisa. Het was maar een konijn en daar zijn er genoeg van.’
‘Daar gaat het niet om. Wat heeft zoiets voor zin?’
‘Er is toch niks gebeurd?’ antwoordt hij schouderophalend. ‘Dat beest leeft nog en morgen wordt hij gepakt door de vos.’
Hij lacht om zijn eigen grap. Het is zinloos om verder te praten.
Het verblijf in Carrbridge had ze zich anders voorgesteld. De vorige avond zijn ze in een gespannen stilte bij het hotel aangekomen, waar ze al een kamer hadden gereserveerd. Ze heeft om een eigen kamer gevraagd; gelukkig was die er nog. Natuurlijk heeft ze slecht geslapen en ze is al om zes uur opgestaan om een wandeling te maken langs de rivier de Dulnain. Ze heeft een hele tijd bij de beroemde achttiende-eeuwse brug naar het snelstromende water zitten kijken, wat haar gekalmeerd heeft.
’s Nachts lijkt alles dramatischer, zegt ze tegen zichzelf als ze terugloopt naar het hotel. Mensen zijn verschillend; misschien is zij wat overgevoelig en is Rory wat overdreven bot op het terrein van dieren. Of probeert hij zo juist zijn gevoeligheid te verbergen? Voor zichzelf? Of is ze nu aan het wensdenken? Zo kan ze nog wel een tijdje in kringetjes blijven ronddraaien; dat heeft ze de halve nacht al gedaan. Ze concentreert zich op de blauwe lucht en de bergen. Bij een bloembak naast de ingang van het hotel blijft ze even staan. Automatisch speurt ze naar insecten. Op het blad van een madeliefje zit een kleine, oranje zweefvlieg. Een beetje ver van het bos, maar het moet toch wel Cheilosia chrysocoma zijn.
Rory zit al in de ontbijtzaal. Zijn krullen hebben ongeveer dezelfde kleur als de zweefvlieg. Nog maar een dag geleden zou ze daar iets over hebben gezegd, ze zouden erom gelachen hebben. Het lukt niet om de oude, vertrouwde toon terug te vinden. Ze hebben het over praktische zaken: het vertrek, de route, de eerste plek om de mot te zien te krijgen. De magie is weg, ze praten als collega’s.
‘Dit zou een plek voor dat beest kunnen zijn,’ zegt Rory.
Dat klopt, de boomloze berghellingen zijn begroeid met heide en lage berendruifstruikjes; daar houdt de mot van. Rory slaat een onverharde zijweg in en zet daar de auto in de berm. Twee uur lang lopen ze, twintig meter van elkaar, over de helling. Het landschap is overweldigend. In de stilte zijn alleen hun stappen te horen. De zon verdwijnt af en toe achter een wolk, volgens de experts gaan de motten dan rustig op een plant zitten wachten op betere tijden. Op bewolkte momenten schoppen ze dus voorzichtig tegen de berendruifstruiken, in de hoop het zeldzame insect te zien opvliegen. Er vluchten wel wat nachtvlinders weg, maar het dier waarom het gaat zien ze niet. Ze sjokken terug naar de auto. Er viel weinig anders te verwachten en de kans is groot dat ze de komende weken voor niets zullen zoeken. Zoals ze eerder al in Noorwegen en Zwitserland heeft meegemaakt. Toch geeft de teleurstelling haar een dof gevoel in haar hoofd.
Rory keert moeizaam de auto en ze hobbelen langzaam terug naar de weg. Vlak voordat ze weer op het asfalt komen, slaat een insect tegen de voorruit. Door de lage snelheid van de auto is het dier redelijk intact gebleven, maar dood is het wel. Ongelovig kijkt ze naar de gele ondervleugeltjes met de zwarte rand. Dit kan niet waar zijn!
Met knikkende knieën stapt ze uit de auto en buigt zich over de motorkap naar de voorruit. De spanwijdte van de vleugels van het verongelukte insect bedraagt wat meer dan twintig millimeter, dat ziet ze zonder het te moeten meten. Van de grauwe bovenvleugels is de rechter gescheurd.
Rory stapt ook uit.
‘Wat is er?’ vraagt hij.
‘Het is hem,’ antwoordt ze.
‘Bedoel je…’
‘Ja, de Small Dark Yellow Underwing, Coranarta cordigera.’
‘Je neemt me in de maling.’
‘Nee, kijk maar, alles klopt. Grootte, kleur…’
Het lichaam van het dier leek eerst ongeschonden te zijn, maar ze ziet er nu toch een knak in zitten waaruit twee druppels vloeistof over de autoruit lopen.
‘Dat is ongelooflijk,’ zegt Rory. Een grijns breidt zich over zijn hele gezicht uit, zijn ogen schitteren.
‘Inderdaad,’ antwoordt ze zuinig.
‘Misschien was het wel de laatste.’ Rory proest het uit.
‘Ik zoek al jaren naar…’ begint ze.
Hij schatert. Tranen lopen over zijn wangen.
Wat is het een toch een zak.
‘Dat mijn werk je niet interesseert, oké, dat snap ik, maar dat je het grappig vindt dat je het zeldzaamste dier van jouw mooie Schotland doodrijdt, dat begrijp ik echt niet.’
Hij valt letterlijk om van het lachen. Spartelend en happend naar adem ligt hij tussen de berendruifjes.
‘Bel de politie!’ perst hij eruit. Hij is rood aangelopen.
‘Je bent niet normaal, je hebt hulp nodig. Misschien kan een professional uitvinden waarom je jezelf wilt bewijzen door zwakkere wezens te doden.’
Ze merkt dat ze onherstelbare dingen zegt, maar ze kan zichzelf niet tegenhouden.
Zijn lachbui is in meteen over. De schittering in zijn ogen maakt plaats voor kilte.
‘Als er iemand hulp nodig heeft, ben jij het, Lisa. Wat stelt jouw leven eigenlijk voor?’
‘Meer dan het jouwe,’ bijt ze terug. ‘Waar zou jij nu staan zonder mijn aanbevelingen? Had je dan dat hommelonderzoek op Sicilië kunnen doen? Nee, dan had je op een uitkering gezeten en dat weet je.’
Hij staat langzaam op. In zijn ogen ziet ze iets wat haar doet besluiten dat ze niet meer bij hem in de auto wil. Zelfs niet tot het volgende dorp. Zonder iets te zeggen draait ze zich om en loopt naar de asfaltweg. Daar slaat ze linksaf, terug naar Carrbridge.
Ze keert zich om als ze achter zich de motor hoort brullen. Haar laatste beeld: de auto die op haar af komt razen. Op de voorruit ziet ze nog één moment lang de minieme, gele ondervleugels van Coranarta cordigera oplichten in de zon.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wacht even! Er is nog meer te lezen van deze schrijver. Klik:
https://www.bol.com/nl/nl/p/fataal-fruitmoment/9300000121360239/?bltgh=k0V2OrUulCRjxTPDHWJFTg.2_6.7.ProductTitle
---------- | |